Uitbreiding verjaringstermijn in het strafrecht
Maart 2011 Met het wetsvoorstel ‘Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de aanpassing van de regeling van de vervolgingsverjaring’ neemt de Minister van Veiligheid en Justitie de regeling van de vervolgingsverjaring op de schop. Het wetsvoorstel voorziet onder andere in een uitbreiding van de categorie misdrijven waarvoor geen verjaring geldt.Uit de memorie van toelichting bij voornoemd wetsvoorstel blijkt dat de Minister van Veiligheid en Justitie ("de Minister") van mening is dat het voor slachtoffers, nabestaanden en de samenleving als geheel niet te verteren is wanneer door het verlopen van de verjaringstermijn bestraffing van de daders van strafbare feiten op voorhand niet meer mogelijk zou zijn. Volgens de Minister moet genoegdoening van die slachtoffers zwaarder wegen dan het argument dat overwegingen van humaniteit gebieden dat er voor de gemoedsrust van de dader op enig moment definitief een streep onder de zaak zou moeten worden gezet.
Misdrijven met een maximum gevangenisstraf van twaalf jaren of meer
De Minister stelt voor om de afschaffing van de verjaring uit te breiden tot alle misdrijven waarop een maximum gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld. Thans zijn alleen de ernstigste misdrijven niet aan verjaring van het recht tot strafvervolging onderhevig. Het gaat om misdrijven waarop een levenslange gevangenisstraf is gesteld, aldus artikel 70 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Het uitgangspunt van de Minister voor de aanpassing van het Wetboek van Strafrecht blijft de ernst van het feit die door de wetgever is uitgedrukt in het strafmaximum. Volgens de Minister brengt de afgrenzing van een maximum gevangenisstraf van twaalf jaren of meer de bijzondere ernst van bepaalde misdrijven tot uitdrukking. Deze misdrijven zouden de rechtsorde zodanig schokken dat de behoefte aan toepassing van het strafrecht gerechtvaardigd blijft. In het bijzonder, maar niet uitsluitend, zouden, krachtens het voorstel van de Minister, de volgende misdrijven niet langer verjaren: opzettelijke brandstichting (artikel 157 Sr), mensensmokkel met zwaar lichamelijk letsel of de dood ten gevolge hebbend (artikel 197a lid 5 en lid 6 Sr), verkrachting (artikel 242 Sr), gemeenschap met een persoon beneden de leeftijd van twaalf jaren (artikel 244 Sr), mensenhandel gepleegd onder strafverzwarende omstandigheden (artikel 273f lid 3 tot en met lid 5 Sr), opzettelijke vrijheidsberoving, de dood ten gevolge hebbend (artikel 282 Sr), doodslag (artikel 287 Sr), zware mishandeling met voorbedachten rade (artikel 303 Sr) en diefstal, de dood ten gevolge hebbend (artikel 312 lid 3 Sr).
Ernstige zedenmisdrijven gepleegd tegen kinderen
Tevens stelt de Minister voor om het recht tot strafvervolging van ernstige zedenmisdrijven gepleegd tegen kinderen niet langer te laten verjaren. Gelet op het bijzondere karakter van deze categorie misdrijven is het volgens de Minister geoorloofd een uitzondering te maken op de algemene regeling inzake verjaring zoals vervat in artikel 70 Sr. In het bijzonder gaat het om enkele specifieke zedenmisdrijven waarvoor het wettelijk strafmaximum minder dan twaalf jaren bedraagt, te weten het stelselmatig of beroepsmatig vervaardigen, verspreiden et cetera van kinderpornografie (artikel 240b lid 2 Sr), gemeenschap met een wilsonbekwame (artikel 234 Sr), gemeenschap met een persoon tussen de leeftijd van twaalf en zestien jaar (artikel 245 Sr) en feitelijke aanranding van de eerbaarheid (artikel 246 Sr). Op grond van de wettelijke strafbedreiging van twaalf jaren van de delicten verkrachting (artikel 242 Sr) en gemeenschap met een persoon beneden de leeftijd van twaalf jaar (artikel 244 Sr) vallen deze delicten reeds onder de hiervoor behandelde voorgestelde aanpassing van de algemene regeling inzake verjaring.
Verder stelt de Minister voor om alle misdrijven waarop een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld pas na twintig jaren te laten verjaren. Thans geldt voor deze misdrijven op grond van artikel 70 lid 1 sub 3 Sr een verjaringstermijn van twaalf jaren. Tot slot vergt de rechtszekerheid dat reeds verjaarde feiten niet met terugwerkende kracht alsnog vervolgbaar worden.
Bron: Memorie van toelichting van de Minister van Veiligheid en Justitie de dato 24 januari 2011
