Schending van interne procedurevoorschriften en gedragsregels: ontslag op staande voet van bankmedewerkster terecht gegeven
April 2010 Kennelijk is het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van mening dat de integriteit van bankmedewerkers, in dit geval in het bijzonder van ABN AMRO, hoog in het vaandel dient te staan. Althans het Hof laat in zijn arrest van 30 maart 2010 weten dat de betrokken bankmedewerkster terecht op staande voet is ontslagen nadat zij de interne procedurevoorschriften en gedragsregels van ABN AMRO (herhaaldelijk) had geschonden.ABN AMRO constateerde in dit geval op 22 oktober 2007 een kasverschil van € 500,00. De bank gaf daarop haar afdeling Group Security opdracht om een onderzoek in te stellen. Een vijftal werknemers werd in dat kader gehoord, de betrokken bankmedewerkster werd tweemaal gehoord, te weten op 31 oktober en 8 november 2007. Zij werd gedurende het onderzoek per 31 oktober door de bank op non-actief gesteld. Uit het onderzoek kwamen zodanige onregelmatigheden naar voren, dat de bank aanleiding zag om de bankmedewerkster op 13 november 2007 een brief te sturen, waarin haar het ontslag op staande voet werd aangezegd. De bank geeft daarbij aan dat betrokkene tijdens de uitoefening van haar functie als medewerker kas/balie, kort gezegd, in strijd met de kenbare procedurevoorschriften en gedragsregels (a) privébankzaken heeft geregeld, (b) contante opname(s) ter identificatie valse rijbewijsnummers in de systemen heeft gevoerd en (c) de inhoud van de afstortcassettes van de cashadapter niet heeft geteld onder het zogenaamde "vierogen principe".
In de procedures die daarop volgden was onderwerp van discussie en beoordeling de vraag of er sprake was van een dringende reden voor het ontslag en of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven. ABN AMRO geeft ter rechtvaardiging van haar handelen aan dat het medewerkers van ABN AMRO - zoals bij CAO en apart schriftelijk document vastgelegd en aan de werknemers kenbaar gemaakt - is verboden om eigen bankzaken te behandelen. Zulks om de schijn te vermijden dat bankmedewerkers in een betere/ruimere positie komen te verkeren dan reguliere klanten van de bank en om misbruik te voorkomen van de uit hun functie voortvloeiende bevoegdheden en kennis. De bank stelt hoge eisen aan de integriteit van haar medewerkers.
De werkneemster stelde zich, sterk samengevat, op het standpunt dat er geen sprake was van dringende redenen, dat het ontslag op staande voet buitenproportioneel is en dat het bovendien niet onverwijld was gegeven. Tevens voert werkneemster aan dat de bank met het onderzoek naar tevens de bankgegevens van de gezinsleden de privacywetgeving heeft geschonden.
Het Hof stelt vast dat werkneemster de haar verweten gedragingen inderdaad heeft vertoond en rekent de werkneemster deze herhaaldelijke schending van de procedurevoorschriften en gedragsregels zwaar aan. Het Hof volgt de bank in haar stelling dat de werkneemster het vertrouwen van haar werkgeefster ernstig heeft beschaamd door aldus te handelen. Het Hof acht de sanctie van ontslag op staande voet niet buitenproportioneel, ondanks dat de positie van werkneemster op de arbeidsmarkt gezien leeftijd en eenzijdige arbeidsverleden gering mag worden geacht en de gevolgen van het ontslag zeer nadelig voor haar (kunnen) zijn. Dit weegt naar het Hof echter niet op tegen de ernst van de gedragingen in relatie tot de toepasselijke strikte integriteitseisen, waarvan werkneemster bovendien expliciet op de hoogte was.
Het Hof oordeelt voorts dat het ontslag op staande voet in dit geval voldoet aan de eis van onverwijldheid, zoals bepaald in artikel 7:677 lid 1 BW. Het Hof geeft conform bestendige jurisprudentie aan dat een werkgever voldoende tijd mag nemen om onderzoek te (doen) verrichten indien dat is vereist als voorbereiding op een zorgvuldige beslissing. De werkgever moet daarbij wel voortvarend te werk gaan. Dat is hier het geval geweest, aldus het Hof. Ook de periode ná 9 november 2007 waarin interne besluitvorming heeft plaatsgevonden, is naar het oordeel van het Hof, mede in aanmerking genomen dat tussen 9 november en 13 november 2007 een weekend zat, niet onredelijk lang geweest.
Tenslotte achtte het Hof het hier gezien de diverse belangen van ABN AMRO gerechtvaardigd, en daarmee niet in strijd met artikel 8 onder f Wbp, dat de bankrekeningen van werkneemster en haar gezinsleden door de bank werden onderzocht.
Het hoger beroep faalt. Het Hof bekrachtigd het vonnis in eerste aanleg en onder aanvulling en verbetering van gronden en veroordeelt werkneemster in de proceskosten van het hoger beroep.
Bron : Gerechtshof 's-Hertogenbosch LJN: BL9954
