Nederlandse nalatenschap met woning in Frankrijk en minderjarige erfgenaam
September 2009 Vrouw (V), met laatste woonplaats in Nederland, is overleden en laat achter als haar erfgenamen haar echtgenoot (M) en haar twee kinderen, van wie de jongste (K) thans nog minderjarig is. Volgens het Nederlands erfrecht en de ouderlijke boedelverdeling (OBV) in het geldende testament van V, worden alle goederen van de nalatenschap toegedeeld aan M en komt aan de kinderen een geldvordering wegens onderbedeling op M toe. Door het laten verlopen van de termijn van artikel 4:193 BW geldt de nalatenschap als door K beneficiair aanvaard.V en M waren ten tijde van V's overlijden samen eigenaar van de helft van een in Frankrijk gelegen woning. M wenst die helft van de woning aan de mede-eigenaar te verkopen, maar krijgt dan te maken met het Franse erfrecht. Volgens Frans IPR is op de vererving van de woning Frans erfrecht van toepassing, terwijl volgens Nederlands IPR zowel wat de vererving als de afwikkeling betreft op de gehele nalatenschap Nederlands erfrecht van toepassing is. Het Franse erfrecht laat de werking van de OBV op de woning toe, echter alleen onder de voorwaarde dat de kinderen afstand doen van hun legitieme portie. Nu K nog minderjarig is, staat deze voorwaarde de afwikkeling in de weg. In verband hiermee wendt M zich, als wettelijk vertegenwoordiger van K, tot de Nederlandse kantonrechter, teneinde op de voet van artikel 1:253k jo. artikel 1:345 BW een machtiging te krijgen om: (1) onder toepassing van het Franse recht een nalatenschap zuiver te aanvaarden die uitsluitend bestaat uit de helft van de woning, en (2) die onroerende zaak te verkopen en terzake het aandeel van K in de opbrengst een schuldigerkenning van M te accepteren. Voor zuivere aanvaarding door K is volgens Frans recht goedkeuring nodig van de rechter van de woonplaats van de minderjarige erfgenaam. Beneficiaire aanvaarding door K kan zonder die goedkeuring plaatsvinden, maar is door de daaraan verbonden voorwaarden in casu zeer ongewenst.
De kantonrechter overweegt dat gelet op de inhoud van het verzoekschrift en gezien de laatste woonplaats van V, de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft (artikel 6 letter g Rv). Wat betreft de inhoud van het verzoekschrift oordeelt de kantonrechter onder meer dat nu het hier een onroerende zaak betreft, de kantonrechter de voorrang die het Franse IPR als gevolg van de 'Näherberechtigung' (aanknopingsovermacht) opeist, moet respecteren. Aldus kan met voorbijgaan aan de beneficiaire aanvaarding volgens Nederlands recht, worden bewilligd in het verzoek om de nalatenschap zuiver te aanvaarden voor zover het betreft de in Frankrijk gelegen woning. Hierdoor krijgt K eerst in plaats van een geldvordering, zoals door de OBV beoogd, de eigendom van een deel van de woning. Immers, de OBV werkt niet omdat door K geen afstand wordt gedaan van zijn rechten op de legitieme portie naar Frans recht. De kantonrechter wijst ook de gevraagde machtiging voor verkoop gevolgd door schuldigerkenning door M van de verkoopopbrengst van het deel van K, toe, nu materieel gezien hetzelfde wordt bereikt als door V in haar uiterste wil werd opgenomen.
Rb. Breda sector kanton 9 juni 2009, nr 489279 OV 08-2084
