Dwaling Rabobank bij sluiten van een beëindigingsovereenkomst
Maart 2010 Op 19 januari 2010 wees het Gerechtshof 's-Gravenhage arrest in een geschil tussen Rabobank en een ex-werknemer, van wie het dienstverband via een vaststellingsovereenkomst was beëindigd met wederzijds goedvinden. Omdat de werknemer gedurende de onderhandelingen over zijn ontslagregeling had verzwegen dat hij concreet uitzicht had op een andere baan, dient hij de helft van zijn ontslagvergoeding terug te betalen aan zijn ex-werkgever.Werknemer, geboren op 13 oktober 1954, was vanaf 1 oktober 1986 tot en met 30 april 2005 in dienst van Rabobank Schouwen-Duiveland (verder te noemen: "Rabobank"), laatstelijk werkzaam als makelaar tegen een bruto maanssalaris groot € 5.504,49 exclusief emolumenten. Rabobank besloot in 2004 om haar makelaarsactiviteiten af te stoten en heeft werknemer in dat verband een aantal voorstellen gedaan tot beëindiging van het dienstverband. Partijen kwamen uiteindelijk overeen dat het dienstverband van werknemer via geregelde ontbinding zou eindigen per 30 april 2005 onder toekenning aan werknemer van een vergoeding groot € 172.892,- bruto, welke vergoeding werd berekend conform de kantonrechtersformule met een correctiefactor C = 1,125.
In artikel 6 van de beëindigingsovereenkomst werd een bepaling opgenomen met de strekking dat werknemer 50% van de ontslagvergoeding zou moeten terugbetalen indien bij binnen twee jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst in dienst zou treedt bij een aantal met name genoemde onderdelen van de Rabobank Groep. Werknemer trad op 1 mei 2005, derhalve daags na ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst met Rabobank, als registermakelaar-taxateur in dienst van Stad & Zeeland Makelaars B.V., hetgeen door Rabobank niet lang nadien werd ontdekt. Dit was voor Rabobank aanleiding om de werknemer te doen aanschrijven en hem daarbij mede te delen dat Rabobank de beëindigingsovereenkomst vernietigt in die zin dat men zich ontheven acht uit de verplichting om de ontslagvergoeding voor het geheel aan werknemer uit te betalen en biedt daarbij - conform artikel 6 van de beëindigingsovereenkomst - 50% van de vergoeding aan. Omdat werknemer geen medewerking wilde verlenen aan hetgeen de Rabobank voorstelde heeft de bank werknemer gedagvaard en daarin gevorderd, kort gezegd, de (gedeeltelijke) vernietiging van de vaststellingsovereenkomst, althans van de in de overeenkomst opgenomen betalingsverplichting. Rabobank erkende daarbij (slechts) een betalingsverplichting jegens werknemer te hebben voor een bedrag groot € 86.446,- bruto welk bedrag Rabobank in 2007 aan ook werknemer betaalde. Rabobank voerde daarbij aan dat zij had gedwaald ten aanzien van deze vaststellingsovereenkomst. Als werknemer open kaart had gespeeld over zijn arbeidsperspectieven bij een nieuwe werkgever, dan had Rabobank de vaststellingsovereenkomst gesloten onder andere (financiële) voorwaarden en aan werknemer derhalve een veel lagere vergoeding zou hebben toegekend.
Werknemer verweerde zich met het argument dat hij zonder de vergoeding nimmer de baan bij Stad & Zeeland zou hebben aanvaard, omdat deze een financiële achteruitgang betekent, dat de nieuwe werkgever niet onder de "Rabobank Groep" valt en er voorts geen nadeel is omdat anders de suppletieregeling op werknemer van toepassing zou zijn geweest, die financieel gezien minimaal gelijk zou zijn geweest als de door partijen overeengekomen vergoeding.
Het Gerechtshof honoreerde uiteindelijk het betoog van Rabobank en wees de verweren van de werknemer van de hand. Het Hof oordeelde dat, indien Rabobank correct en volledig door werknemer was geïnformeerd ter zake de beëindiging van zijn dienstverband en zijn nieuwe baan bij Stad & Zeeland Makelaars B.V., Rabobank aan werknemer inderdaad niet meer dan de helft van de oorspronkelijke ontslagvergoeding zou hebben toegekend. Doordat werknemer tijdens de onderhandelingen en bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst door relevante zaken te verzwijgen een onjuiste voorstelling van zaken had gegeven, is sprake van dwaling aan de zijde van Rabobank. Het Hof besluit daarom dat de betalingsverplichting voor Rabobank zoals opgenomen in artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst ad € 172.892,00 bruto op grond van dwaling partieel is vernietigd en dat nog slechts een voor de Rabobank resterende betalingsverplichting jegens werknemer bestaat groot € 86.446,- bruto. Dit bedrag was al door Rabobank aan werknemer overgemaakt.
Bron : http://www.rechtspraak.nl/Uitspraken : LJN: BL2560, Gerechtshof 's-Gravenhage
