Deelnemers “De Gouden Kooi” waren werkzaam in dienstbetrekking: WW-uitkering ten onrechte geweigerd
Februari 2011 Een ex-deelnemer van het televisieprogramma De Gouden Kooi heeft na het verlaten van het programma (na circa 10 maanden) bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van een WW-uitkering. Het UWV weigerde de WW-uitkering toe te kennen omdat geen sprake zou zijn van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 WW maar van een overeenkomst van opdracht zoals partijen die hebben gesloten en ook hebben bedoeld te sluiten. De Advocaat-Generaal van de Hoge Raad heeft op 6 januari 2011 geconcludeerd dat dit standpunt niet juist is.De ex-deelnemer diende bezwaar in tegen de weigering van het UWV, maar het UWV verklaarde dat bezwaarschrift gegrond, verwijzende naar de omstandigheid dat partijen een overeenkomst hebben gesloten en geen arbeidsovereenkomst en dat partijen gezien de formulering van de overeenkomst ook nooit bedoeld hebben een arbeidsovereenkomst te sluiten. De ex-deelnemer ging van de beslissing op bezwaar in beroep bij de sector bestuursrecht van Rechtbank Zwolle-Lelystad. Deze oordeelde dat de arbeidsverhouding van de ex-deelnemer dient te worden aangemerkt als een overeenkomst van opdracht maar als een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Volgens de rechtbank was voldaan aan de drie voorwaarden voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking zoals bedoeld in artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek, te weten (a) de verplichting van werknemer om gedurende zekere tijd persoonlijk arbeid te verrichten, (b) de verplichting van de werkgever om voor de verrichte arbeid loon te betalen en (c) het bestaan van een gezagsverhouding van opdrachtgever jegens opdrachtnemer.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarna het UWV in cassatie is gegaan. In cassatie voert het UWV (andermaal) aan dat (1) partijen nooit hebben beoogd een privaatrechtelijke dienstbetrekking te doen ontstaan, (2) dat er geen sprake is van een gezagsverhouding en (3) dat het meedoen aan een spelprogramma niet kwalificeert als productieve arbeid in economische zin ten behoeve van een werkgever.
Advocaat-Generaal Van Ballegooijen concludeert onder meer naar aanleiding van onderzoek met betrekking tot het begrip arbeidsovereenkomst, waaronder het arrest Groen/Schoevers (HR 14 november 1997, JAR 1997/263), arresten van de Centrale Raad van Beroep, fiscale rechtspraak, bestudering en vergelijking van de artikelen 7:610 BW en 7:400 BW en een overzicht van de literatuur over de bedoeling van partijen, tot verwerping van het cassateberoep. Hij overweegt daarbij dat een arbeidsovereenkomst tot stand komt door wilsovereenstemming van partijen welke ten eerste is af te leiden uit hun bedoeling bij het aangaan van de overeenkomst maar tevens uit de feitelijke uitvoering van de overeenkomst. De Advocaat-Generaal concludeert op basis van het totaaloordeel van alle hem bekende omstandigheden van dit geval (waaronder het bestaan van een handboek waarin regels, instructies en ordemaatregelen waren opgenomen aan welke de deelnemers zich moesten conformeren, zulks op straffe van verwijdering uit het huis) dat in casu sprake is van een arbeidsovereenkomst zodat naar zijn oordeel de door het UWV aangedragen cassatiemiddelen niet slagen.
Bron: Conclusie van de Advocaat-Generaal van 6 januari 2011
