De aanbiedingsverplichting in statuten van een besloten vennootschap kan in bepaalde gevallen voor beperkte tijd worden opgeschort.
Januari 2011 In het onderhavige geval is het huwelijk van man met vrouw krachtens echtscheiding ontbonden. Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoren aandelen van de man in een besloten vennootschap. Op grond van de statuten van de vennootschap is de man verplicht zijn aandelen aan te bieden aan de overige aandeelhouders als de aandelen niet binnen 24 maanden na ontbinding van de gemeenschap aan de oorspronkelijke aandeelhouder (de man) zijn toegedeeld. Omdat de huwelijksgemeenschap nog niet is verdeeld, is de man op na verloop van de termijn van 24 maanden door de vennootschap gesommeerd om de aandelen binnen 10 werkdagen aan de andere aandeelhouders aan te bieden. De statuten bevatten een onherroepelijke volmacht voor de vennootschap om de aandelen namens de man aan de overige aandeelhouders aan te bieden als de man de statutaire verplichting niet nakomt. De man heeft de vennootschap verzocht de aanbiedingsverplichting met twee maanden op te schorten in verband met de verdeling van de ontbonden gemeenschap. Omdat de vennootschap dit verzoek heeft afgewezen, is de man een kortgedingprocedure gestart.In navolging van de voorzieningenrechter oordeelt het Hof dat toepassing van de statutaire bepaling, in het bijzonder van de volmacht die de vennootschap wil gebruiken, in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Op de eerste plaats is niet aannemelijk dat het doel en de belangen van de litigieuze bepaling
zijn geschaad door het feit dat de aandelen niet binnen 24 maanden aan de man zijn toegedeeld. De onderhavige bepaling dient ertoe te waarborgen dat de ontbinding van de gemeenschap waartoe de aandelen behoren, niet tot gevolg heeft dat de beslotenheid van de kring van bestaande aandeelhouders wordt aangetast en dat laatstgenoemden niet gedurende een onbepaalde tijd hierover in het ongewisse komen te verkeren. Noch een aantasting van de beslotenheid van de kring van bestaande aandeelhouders noch onzekerheid over de mogelijkheid daarvan is in het onderhavige geval aan de orde. Immers, op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat de vrouw belangstelling heeft voor de aandelen. Integendeel, uit de stukken inzake de gerechtelijke procedure die thans tussen de man en de vrouw aanhangig is, volgt dat het aannemelijk is dat de aandelen aan de man zullen worden toegedeeld. Op de tweede plaats staat als onvoldoende betwist vast dat zich aan de zijde van de vrouw persoonlijke omstandigheden hebben voorgedaan, die kunnen worden geacht in de weg te hebben gestaan aan een verdeling van de gemeenschap binnen 24 maanden na de ontbinding van het huwelijk. Die omstandigheden laten echter onverlet dat voldoende aannemelijk is dat de aandelen aan de man zullen worden toegedeeld. Zij hebben dus uitsluitend tot gevolg gehad dat de aandelen niet binnen de gestelde termijn aan de man zijn toegedeeld zonder dat hierbij de beslotenheid van de kring van bestaande aandeelhouders in het geding is geweest. Verder staat vast dat de vennootschap al geruime tijd bekend was met de echtscheiding, maar niet gebleken is dat zij bij de man erop heeft aangedrongen dat zij hem wilde houden aan de aanbiedingsverplichting.
Dit is eerst aan de man kenbaar gemaakt nadat de 24-maandstermijn was voltooid. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat de vennootschap een redelijk belang heeft bij een onverkorte handhaving van de bepaling, terwijl de man een zwaarwegend geldelijk belang heeft bij een beperkte verlenging van de termijn waarbinnen de aandelen moeten zijn verdeeld.
Hof Amsterdam 8 juni 2010, nr 200.061.536 (JOR 2010/300).
Voor vragen of opmerkingen over dit onderwerp kunt u terecht bij de heer mr. C.J. van Zwet, advocaat, vanzwet@custos.nl of 040-267 99 92.
