Auto van de zaak en privékilometers

September 2009 De meervoudige belastingkamer van Rechtbank Arnhem heeft naar aanleiding van een bij haar ingediend beroepschrift op 14 juli 2009 beslist, dat de in de lunchpauze gereden kilometers tussen woning en werk niet kwalificeren als privégebruik van de auto van de zaak, maar worden gezien als woon-werkverkeer zoals bedoeld in artikel 13bis Wet LB. Gevolg hiervan is dat die kilometers niet meetellen voor het maximaal toegestane privégebruik van 500 km op jaarbasis, waarbij loonbijtelling wegens privégebruik van de auto van de zaak achterwege mag blijven.

Wat was het geval.

Eiser houdt alle aandelen in zijn holding B.V., die 100% van de aandelen in de "praktijk"-BV (de "BV") bezit. Eiser is directeur van die BV. De BV heeft aan eiser een personenauto ter beschikking gesteld met een cataloguswaarde van € 120.154,-. Van alle gereden kilometers hield eiser een sluitende rittenadministratie bij. In privé rijdt eiser een ruime voor gezinsdoeleinden geschikte personenauto (MPV). Tussen de middag rijdt eiser met regelmaat naar zijn woning om te lunchen en eventueel wat zakelijke werkzaamheden voor de zaak te verrichten. De reisafstand tussen de werkplek aan en het woonadres van eiser is 2,6 kilometer.

Eiser stelt zich - contrair aan de beschikkingen en naheffingsaanslag van de Belastingdienst - primair op het standpunt dat deze lunchritten als woon-werkverkeer en daarmee niet als privékilometers moeten worden aangemerkt. Daardoor heeft hij de auto op kalenderjaarbasis minder dan 500 kilometer privé gebruikt en is het autokostenforfait nihil.

De Rechtbank oordeelt, dat in de Wet LB (of haar voorganger Wet IB) geen definitie of nadere uitwerking van het begrip woon-werkverkeer is gegeven. Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 3.145 leidt de Rechtbank af dat de frequentie van het woon-werkverkeer niet van belang is. Voorts blijkt dat per 1 januari 2004 (na een evaluatie van het autokostenforfait uit oogpunt van eenvoud) de fictie dat woon-werkverkeer niet als privéaangelegenheid wordt aangemerkt weer in de regeling is opgenomen.

Volgens de Rechtbank biedt noch de wettekst, noch de parlementaire geschiedenis, noch jurisprudentie enig aanknopingspunt voor de opvatting, dat tussentijdse ritten van het werk naar de woning en terug niet tot het woon-werkverkeer behoren. Daardoor ziet de Rechtbank geen aanleiding om deze ritten uit te sluiten van het begrip woon-werkverkeer.

De beschikkingen en naheffingsaanslagen worden vernietigd waardoor eiser over 2006 en 2007 niet de zeer aanzienlijke loonheffing/premie volksverzekeringen, boetes en heffingsrente is verschuldigd.